Gisteren had ik mij voorgenomen om mij eens gedeisd te houden tijdens het wekelijkse rondje langs de plaatselijke kruideniers. Maar bij de eerste de beste supermarkt, daar waar ik altijd het brood haal, liep het al niet meer zoals gepland. Nog voor dat ik de lokale handel in levensmiddelen binnen stapte, veroorzaakte ik reeds de nodige overlast. Met sissende geluiden en krankzinnige handgebaren probeerde de aandacht te trekken van het winkelende publiek. Al snel merkte ik dat mijn dwaze gedrag geen enkel effect sorteerde. In dergelijke situaties kun je twee dingen doen: ofwel je manier van doen conformeren aan de massa dan wel er nog een flinke schep bovenop doen en stapelmesjogge het publiek de stuipen op het lijf jagen. In een vlaag van verstandsverbijstering besloot ik voor optie 1 te gaan hetgeen vanzelfsprekend de meeste aanpassing vergde.
Kalm en beheerst manoeuvreerde ik mijn gratis winkelkarretje tussen de gangpaden door richting de broodafdeling. Eenmaal aldaar aangekomen kieperde ik mijn kar vol met brood naar behoefte en stuurde vervolgens richting de kassa’s terwijl ik verbaal het geluid van Max Verstappen’s F1 wagen nabootste waarbij ik mij op de straten van Baku waande. Bij de kassa aangekomen vroeg de dienstdoende caissière mij nadat ze alle broden gebliebt had of ik mijn transactie contact of met de pin wenste te voltooien. Ditmaal besloot ik voor optie twee te kiezen, een keuze die mede was ingegeven door een gebrek aan zwart gegenereerde cash in mijn hippe heuptas. Nadat de handelsovereenkomst volledig was afgerond kreeg ik nog de vraag of ik ook zegeltjes spaarde. “Jazeker,” antwoorde ik en stak de kostbaarheden zorgvuldig in de buidel.
Eenmaal buiten op het parkeerterrein gaf ik de winkelkar een ferme douw richting de bossasjes. Het wagentje kwam eerder tot stilstand dan op voorhand verwacht mocht worden. Vanuit het struikgewas kwam een manspersoon overeind waartegen het wagentje kennelijk tot stilstand was gekomen. De man droeg een vuilniszak van het merk “KOMO” bij zich. He, was dat niet de fameuze doch eveneens veel beschimpte “Piet de Blikjesbukker?”. Pietertje woont in een heel ander deel van het land dan ik, dus dat kon niet waar zijn. Voor alle zekerheid liep ik op de man af en vroeg hem mijn heuptas te signeren. Immers: wie weet was het wel een andere blikjesbukkende selebbertie, je weet maar nooit.